Aandacht voor 
het behoud van uw
commerciële relatie 
met uw klanten 

Expertise 
en transparantie

Bevoorrechte partner
van ondernemers

Jong en 
dynamisch team

Wij gaan voor 
een totaalaanpak

Steeds online 
toegang tot uw dossiers

Unieke en voordelige 
abonnementsformules

Invorderingexperts

Geen financiële 
verrassingen

7 april 2016

Princiepsarrest omtrent erelonen advocaten

Het gerechtelijk wetboek bevat een door velen als archaïsch omschreven bepaling over het ereloon van advocaten. Artikel 446ter Ger.W. bepaalt dat advocaten hun ereloon begroten ‘met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht (…) Ingeval het ereloon niet met billijke gematigdheid is vastgesteld, wordt het door de raad van de orde verminderd, met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk (…) onverminderd het recht van de partij om zich tot de rechter te wenden (…)’. Die bepaling dateert nog uit de tijd dat het voor advocaten verboden was om ereloonafspraken te maken met hun cliënt en het hen ook niet toegestaan was om tussentijds provisies aan te rekenen. De wettelijke regeling in het gerechtelijk wetboek gaat overigens terug tot artikel 43 van het keizerlijk decreet van 14 december 1810, dat advocaten voor het eerst toeliet om zelf hun ereloon vast te stellen, maar wel met de ‘bescheidenheid die van hun ambt moet worden verwacht’. Later werd die vrijheid om eenzijdig het ereloon te begroten bij het beëindigen van het dossier een ‘partijbeslissing’ genoemd. Als de advocaat overdreef, kon de raad van de orde de ereloonstaat herleiden en meteen ook een tuchtprocedure starten. Door de wetswijziging van 2006 hebben de raden van de orde die tuchtbevoegdheid moeten afstaan aan de tuchtraden.

Intussen zijn de tijden wel flink veranderd. Advocaten kregen eerst de deontologische plicht om tussentijdse provisies te vragen en er werd hen ook aangeraden om duidelijke afspraken te maken met hun cliënt. Nu is er in het wetboek economisch recht ook wettelijk een informatietieverplichting over de prijs (zie artikel III.74, III.76 en XIV.3.3° WER).

Zolang de regel gold dat een advocaat die zichzelf respecteerde niet over geld sprak met zijn cliënt en enkel bij het afsluiten van de zaak zijn ereloonstaat aan de cliënt kon bezorgen, viel er wel wat te zeggen voor de wettelijke regeling met een controle nadien door de raad van de orde. Het was in die context verantwoord dat wanneer de advocaat overdreef, de raad van de orde de ereloonstaat kon verminderen, en de advocaat meteen ook een tuchtstraf riskeerde.

Het staat al lang niet meer ter discussie dat de advocaat duidelijke afspraken mag (zelfs moet) maken met zijn cliënt en steeds meer advocaten laten ook formele ereloonovereenkomsten ondertekenen. De Orde van Vlaamse Balies moedigt de advocaten overigens aan om dat te doen, en tegenover niet-beroepsmatige cliënten lijkt dat zelfs een wettelijke verplichting te zijn geworden. In de rechtsleer werd dan ook door verschillende auteurs voorgehouden dat wanneer de advocaat een geldige overeenkomst had gesloten, die strekt tot wet van de partijen (artikel 1134 B.W.) en dat in die hypothese de raad van de orde niet meer bevoegd was om de ereloonstaat te herleiden. De raad had in die stelling enkel een controlebevoegdheid als de advocaat éénzijdig zijn ereloon had vastgesteld. De rechtsleer en de rechtspraak waren op dat punt wel verdeeld.

In het arrest van 24 maart maakt het Hof van Cassatie een einde aan de discussie. Het lijkt erop dat het hoogste rechtscollege een princiepsarrest wilde uitspreken. Het Hof stelt dat aan de raad van de orde toekomt te oordelen of het ereloon is vastgesteld met billijke gematigdheid ‘zodat hij geen rekening dient te houden noch met de eenzijdige beslissing van de advocaat, noch met eventuele afspraken of overeenkomsten tussen de advocaat en zijn cliënt, ongeacht het tijdstip waarop (…) deze overeenkomsten werden gesloten en uitgevoerd, onverminderd het recht van de partij om zich tot een gerecht of een scheidsrechter te richten’. Om zeker te zijn dat iedereen de draagwijdte hiervan goed inschat, voegt het Hof van Cassatie er nog het volgende aan toe: ‘Het onderdeel dat aanvoert dat de bevoegdheid van de raad van de orde om het ereloon te verminderen beperkt is tot de hypothese van een partijbeslissing en niet toepasselijk is indien de advocaat en de cliënt een ereloonovereenkomst afsloten, zodat de raad van de orde niet bevoegd is om een controle uit te oefenen op grond van art. 446 ter tweede lid gerechtelijk wetboek, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting’. Duidelijker kan dus niet.
[Cass. 24 maart 2016, C.15.0196.N]

Het Hof van Cassatie heeft dus in al zijn wijsheid de wet uitgelegd. In een rechtstaat dient met de duidelijke rechtspraak van het hoogste rechtscollege rekening te worden gehouden.

Hugo Lamon, advocaat

terug naar overzicht