Aandacht voor 
het behoud van uw
commerciële relatie 
met uw klanten 

Expertise 
en transparantie

Bevoorrechte partner
van ondernemers

Jong en 
dynamisch team

Wij gaan voor 
een totaalaanpak

Steeds online 
toegang tot uw dossiers

Unieke en voordelige 
abonnementsformules

Invorderingexperts

Geen financiële 
verrassingen

18 april 2017

Bezwaarschrift inkomstenbelastingen: vorm- en termijnvoorwaarden

A. BEZWAARSCHRIFT

a. Vormvoorwaarde van het bezwaarschrift: het moet 'schriftelijk' gebeuren

-     Wettekst

Artikel 366, 1ste lid, WIB 92, bepaalt dat: 'De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd'.

-     Moet het bezwaarschrift ondertekend zijn?

Onder de oude procedure vóór de hervorming van 1999, had het Hof van Cassatie beslist dat: 'het schriftelijk bezwaar een akte van rechtspleging is die de elementen moet bevatten waaruit zijn geldigheid blijkt; om rechtsgeldig te zijn, het bezwaar ondertekend moet zijn; de ondertekening een essentieel bestanddeel is van het bezwaar; het arrest (dat) oordeelt dat niet vereist is dat het bezwaarschrift moet ondertekend zijn en dat volstaat dat uit de motivering van het bezwaarschrift zonder twijfel zou blijken dat het bezwaarschrift uitgaat van de belastingplichtige die de bedoeling had het bezwaar in te dienen, (schendt artikel 366, WIB 92)' (Cass. 06.10.2000, F.J.F. 2000/289; Pas. 2000, I, 526; www.juridat.be).

Op 05.06.2014 heeft het Hof van Cassatie evenwel een arrest van het hof van beroep te Antwerpen bevestigd (Antwerpen 28.02.2012) dat had beslist dat, sinds de hervorming van de procedure, het bezwaarschrift slechts een administratief beroep is, dat de directeur uitspraak doet als administratieve overheid en niet als rechterlijke instantie, zodat het niet noodzakelijk is dat een bezwaarschrift ondertekend is wanneer blijkt dat het uitgaat van iemand die de hoedanigheid heeft om een bezwaar in te dienen.

Na de artikelen 366 en 371, 1ste  lid, WIB 92, te hebben vermeld, heeft het Hof van Cassatie ten gronde beslist dat: 'Het bezwaarschrift dat binnen de wettelijke termijn schriftelijk en gemotiveerd is ingediend, regelmatig is, ook al draagt het niet de handtekening van degene die bezwaar indient, indien aan de hand van de elementen waarover de administratie beschikt op het ogenblik dat het beslist over de toelaatbaarheid van het bezwaarschrift, vaststaat dat het uitgaat van de indiener ervan'.

Het Hof herhaalt dat 'de appelrechters hebben geoordeeld dat 1/ de wet niet bepaalt dat een bezwaarschrift ondertekend moet zijn om geldig te zijn, van zodra blijkt dat het uitgaat van iemand die de hoedanigheid had om bezwaar in te dienen, 2/ in deze zaak uit de brief van 19.11.2003 (waarmee de directeur het niet-ondertekend bezwaarschrift, ontvangen op 06.11.2003, heeft teruggestuurd, omdat het niet als regelmatig kon worden beschouwd) blijkt dat de gewestelijk directeur er niet aan twijfelde dat de op 06.11.2013 ontvangen brief uitging van de eerste verweerder. Op grond van de niet-betwiste vaststelling dat er hier zekerheid bestond dat het bezwaarschrift van de eerste verweerder uitging, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat het niet-ondertekend bezwaarschrift, ontvangen op 06.11.2003, geldig was' (Cass. 05.06.2014, Fisconetplus).

(1) In deze zaak werd de brief van 19.11.2003 van de gewestelijk directeur waaruit het hof van beroep te Antwerpen heeft kunnen afleiden dat het niet-ondertekend bezwaarschrift uitging van de belastingplichtige, als volgt geformuleerd:

'Ik bevestig u de ontvangst van uw hogervermelde brief die op 06.11.2003 op de directie is toegekomen. Die brief is echter niet ondertekend en kan derhalve niet als een regelmatig bezwaarschrift in de zin van de artikelen 366 en 371, WIB 92, worden beschouwd. U kunt evenwel een nieuw bezwaarschrift indienen volgens de voorwaarden voorzien in de artikelen van het WIB 92, door vb. bijgevoegde brief te ondertekenen (de teksten in vet of cursief zijn vermeld zoals in de brief)'.

Die brief legt de nadruk op de onregelmatige vorm bij gebrek aan handtekening, wat op zich volstond om het bezwaarschrift onontvankelijk te verklaren; overigens wijst die brief erop dat de gewestelijke directie het bezwaarschrift naar de afzender heeft teruggestuurd om hem in het bijzonder uit te nodigen de toestand te herstellen door zijn handtekening te zetten. De modelbeslissing wordt aangepast in de toepassing Workflow Geschillen.

De administratie volgt het standpunt van het Hof van Cassatie in de mate dat daaruit voortvloeit dat, om geldig te zijn, het door de belastingplichtige bij de directeur der belastingen ingediend bezwaarschrift niet noodzakelijk moet ondertekend zijn, van zodra met zekerheid uit het bezwaarschrift blijkt dat het uitgaat van de belastingplichtige, gemotiveerd is en binnen de wettelijke termijnen is ingediend.

Die zekerheid kan slechts het gevolg zijn van een feitelijke beoordeling van de tekst van het niet-ondertekend bezwaarschrift en van de voorwaarden waaronder die brief bij de bevoegde adviseur-generaal – gewestelijk directeur is toegekomen. Nu die vraag uitdrukkelijk onder de beoordelingsbevoegdheid van de bodemrechter valt, heeft het Hof van Cassatie in voormeld arrest er voor gezorgd te spreken van 'niet-betwiste vaststelling' van de rechters in beroep.

Het behoort voortaan aan de bevoegde administratieve overheid om te oordelen of uit de tekst van het niet-ondertekend bezwaarschrift en uit de voorwaarden waaronder die brief is toegekomen blijkt dat de afzender niemand anders kan zijn dan diegene die de hoedanigheid had om bezwaar in te dienen. De administratie kan hem vragen om het origineel van het bezwaarschrift te ondertekenen en terug te sturen naar de dienst, maar het ontbreken van een schriftelijke handtekening is op zich geen grond tot onontvankelijkheid.

Het bezwaarschrift zal daarentegen onontvankelijk moeten worden verklaard en een beslissing moet onmiddellijk worden genomen wanneer de administratie twijfelt aan de hoedanigheid van de verzender om een bezwaarschrift in te dienen. Die beslissing zal per aangetekende brief worden verzonden door middel van een modelbeslissing (template) die hiervoor wordt voorzien in de toepassing Workflow Geschillen.

-     Moet het bezwaarschrift uitsluitend schriftelijk worden ingediend?

Het feit dat het niet meer vereist is de brief te ondertekenen, heeft gevolgen voor de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften die op een andere wijze dan met een brief die per post werd verzonden, meer bepaald per fax of per e-mail.

Krachtens artikel 2281 Burgerlijk Wetboek 'Wanneer een kennisgeving schriftelijk dient te gebeuren om door de kennisgever te kunnen worden aangevoerd, wordt ook een kennisgeving per telegram, telex, telefax, elektronische post of enig ander telecommunicatiemiddel dat resulteert in een schriftelijk stuk aan de zijde van de geadresseerde, als een schriftelijke kennisgeving beschouwd. Hetzelfde geldt wanneer de kennisgeving slechts daarom niet in een schriftelijk stuk resulteert aan de zijde van de geadresseerde omdat deze een andere wijze van ontvangst hanteert'.

Die kennisgeving gaat in bij ontvangst ervan in de hierboven genoemde vormen (artikel 2281, 2de lid, BW).

Het is derhalve bij de manier van telecommunicatie niet nodig dat de bestemmeling werkelijk een schriftelijk document ontvangt. Om de verzending als schriftelijke kennisgeving te kunnen beschouwen, volstaat het dat de mogelijkheid bestaat een schriftelijke document te bekomen. Dat is onder meer het geval bij e-mail of fax die de keuze laten het ontvangen bericht al dan niet af te drukken.

Uit het voorgaande volgt dat een bezwaarschrift, verzonden via één van de telecommunicatiemiddelen vermeld in artikel 2281 Burgerlijk Wetboek, ontvankelijk is als het aan de bevoegde adviseur-generaal – gewestelijk directeur is verzonden, te weten, naar het e-mailadres van de bevoegde administratieve instantie, of naar het faxnummer, om zich te beperken tot de meest voorkomende, voor zover het binnen de termijnen beoogd in artikel 371, WIB 92, werd ontvangen, en voor zover de andere vormvoorwaarden zijn vervuld (motivering, naleven van de wetgeving inzake het taalgebruik in bestuurszaken).

De kennisgeving is dus geldig vanaf het ogenblik van ontvangst van een fax of van een e-mail door de bevoegde administratieve dienst.

Artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt in zijn laatste lid: 'Ontbreekt een handtekening in de zin van artikel 1322 (van het Burgerlijk Wetboek), dan kan de geadresseerde de kennisgever zonder onnodig uitstel verzoeken om een origineel ondertekend exemplaar na te zenden. Doet hij dat niet zonder onnodig uitstel, of gaat de kennisgever zonder onnodig uitstel op dit verzoek in, dan kan de geadresseerde het ontbreken van een handtekening niet aanvoeren'.

Zelfs indien de wet niet uitdrukkelijk voorschrijft dat het bezwaarschrift moet worden ondertekend, kan de administratie wel vragen om een ondertekend origineel op te sturen om de kennisgeving te bevestigen, en dat vanaf de ontvangst. Evenwel heeft de ontvangst van het origineel geschreven stuk, op verzoek van de bestemmeling, alleen betrekking op de bevestiging van de handtekening en de identiteit van de reclamant.

Een e-mail voorzien van de elektronische handtekening via eID van zijn afzender, is bovendien een ondertekend bezwaarschrift (2).

(2) Kan (…) voldoen aan de vereiste van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en dat het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont. (W 20.10.2000, art. 2, BS 22.12.2000; Inwerkingtreding: 01.01.2001). Die bepaling kent aan de elektronische handtekening eenzelfde rechtsgeldigheid toe als aan de gewone op papier aangebrachte handtekening. Zie ook artikel 4, § 5 van de wet van 09.07.2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten (BS 29.09.2001).

Indien er twijfel bestaat over de identiteit van de belastingplichtige of over zijn e-mailadres, belet niets dat de administratie in de toepassing SITRAN nagaat of dat adres wel degelijk overeenstemt met dat wat de belastingplichtige heeft meegedeeld op MyMinFin. Wanneer dat niet het geval is of wanneer geen enkel e-mailadres werd ingevuld door de belastingplichtige, is het aangewezen hem te vragen dit onverwijld te doen.

De ontvangstmelding van een bezwaarschrift, ontvangen via één van die telecommunicatiemiddelen, moet nog schriftelijk worden opgesteld en per post verzonden.

De administratie zal de PDF-documenten aanpassen die door de ambtenaar via zijn eID kunnen worden ondertekend en die ook per e-mail aan de belastingplichtige kunnen worden verzonden.  

b. Termijnvoorwaarden waaraan de indiening van een bezwaarschrift moet voldoen na de elektronische aanbieding van het aanslagbiljet of een aangetekende verzending per post

-     Wettekst

Artikel 371, WIB 92, bepaalt dat:

'De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet, dan wel de datum van de kennisgeving van de aanslag of van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

In het in artikel 302, tweede lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige is aangeboden.

Indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening'.

Artikel 302, 2de lid, WIB 92, waarnaar artikel 371 verwijst, bepaalt dat:

'(…) de belastingplichtige kan, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten uitsluitend door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding via dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet. Wanneer het aanslagbiljet betrekking heeft op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, moeten beide belastingplichtigen zich uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard'.

-     Elektronische aanbieding van het aanslagbiljet

De artikelen 136/1 en 136/2 KB/WIB 92, bepalen dat:

1. De uitdrukkelijke verklaring beoogd in artikel 302, 2de lid, WIB 92, moet gebeuren via een uitdrukkelijke akkoord over de procedure ofwel via Tax-on-web bij het invullen van de aangifte, ofwel via MyMinFin; bij een gemeenschappelijke aanslag moeten beide echtgenoten zich akkoord verklaren.

2. Het uitdrukkelijk akkoord moet worden vergezeld van de mededeling via Tax-on-web of MyMinFin van een bankrekening die de elektronische aanbieding van het aanslagbiljet via internetbankieren toelaat; bij een gemeenschappelijke aanslag, moet die bankrekening deze zijn van de echtgenoot die zijn inkomsten aangeeft in de linkerkolom van de aangifte. Indien de andere echtgenoot niet beschikt over een volmacht over die rekening of indien deze rekening niet toebehoort aan beide echtgenoten, wordt verondersteld dat de titularis van de rekening aan de andere echtgenoot de mogelijkheid geeft om zijn rechten, meer in het bijzonder inzake het bezwaar, uit te oefenen.

3. De elektronische aanbieding van het aanslagbiljet wordt beëindigd wanneer de belastingplichtige overlijdt, zijn akkoord via internetbankieren herroept of aan de administratie een bankrekening meedeelt die geen elektronische aanbieding van zijn aanslagbiljet meer toelaat; bij een gemeenschappelijke aanslag, wordt zij beëindigd wanneer beide echtgenoten of alleen deze die zijn inkomsten aangeeft in de linkerkolom van de aangifte zijn (is) overleden, een echtgenoot zijn akkoord herroept, de echtgenoten feitelijk zijn gescheiden, de echtscheiding is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand nà 01 januari van het aanslagjaar, de bankrekening meegedeeld aan de administratie is vervangen door een bankrekening die de elektronische aanbieding van het aanslagbiljet niet meer toelaat.

Concreet overhandigt de FOD Financiën het aanslagbiljet 'Zoomit' aan de NV Isabel de dag van de verzendingsdatum en die NV Isabel verzekert de aanbieding van dat aanslagbiljet in de PC-banking van de belastingplichtigen binnen de twee uur die daarop volgen.

Onder die voorwaarden komt de datum waarop het aanslagbiljet aan de belastingplichtige is aangeboden overeen met de verzendingsdatum vermeld op dat aanslagbiljet. De bezwaartermijn vangt aan vanaf die aanbieding.

De aanbieding is traceerbaar: iedere instantie (FOD Financiën, NV Isabel en de banken) verzendt en ontvangt de ontvangstmelding van de verzonden of ontvangen bestanden.

Bij betwisting over de verzendingsdatum, kan alleen de administratieve dienst die het bezwaarschrift onderzoekt, de controle van de aanbieding per e-mail aanvragen op het adres webcalculation@minfin.fed.be, met vermelding van het betwist kohierartikel.

-     Verzending van het bezwaarschrift met een ter post aangetekende brief

Wanneer het bezwaarschrift per aangetekende brief werd verzonden, heeft de wetgever beslist dat 'de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs geldt als indieningsdatum'.

Dat wil zeggen dat in dat geval de administratie de omslag die het bezwaarschrift bevatte moet bewaren en inscannen zodat deze in het elektronisch dossier wordt bewaard. De datum van de poststempel op de omslag geldt als ontvangstdatum van het bezwaarschrift en niet de datum die door de administratie via datumstempel op het bezwaarschrift is aangebracht.

c. Termijn die in aanmerking moet worden genomen vóór de wet van 19.05.2010 houdende fiscale en diverse bepalingen, die artikel 371, WIB 92, heeft gewijzigd (BS 28.05.2010 – 2de uitgave, inwerkingtreding 07.06.2010)

Vóór bovenvermelde wet was de aanvangsdatum van de bezwaartermijn de verzendingsdatum van het aanslagbiljet. Artikel 371, WIB 92, luidde immers als volgt: 'de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier'.

In een arrest van 19.12.2007 (Nr. 162/2007, www.fisconetplus.be) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat 'zij beperkt op onevenredige wijze de rechten van verdediging van de belastingplichtige, nu de beroepstermijn begint te lopen op een ogenblik waarop hij geen kennis heeft van dat aanslagbiljet'.

Het Grondwettelijk Hof voegt er evenwel aan toe: 'De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek) (B.4.)'.

Uit dat arrest volgt dat alleen de ontvangsttheorie voor het bezwaarschrift aanvaardbaar is; bijgevolg loopt de bezwaartermijn vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet werkelijk heeft ontvangen. Als de aanslagbiljetten per gewone post worden verzonden, moet de vermoedelijke datum worden bepaald.

Het Grondwettelijk Hof geeft aan hoe wij die datum kunnen vermoeden door toepassing te maken van de bepalingen van artikel 53bis, Ger. W (zie nr. 21 supra). In elk geval is die bepaling slechts vanaf 31.12.2005 van toepassing (ingevoegd bij W 13.12.2005, art. 2; inwerkingtreding: 31.12.2005).

Sommige rechtspraak weigert die bepaling toe te passen vóór de inwerkingtreding van de wet van 19.05.2010 die artikel 371, WIB 92, heeft gewijzigd, stellend dat: 'overeenkomstig het beginsel van de scheiding van de machten kan de rechter niet voorbijgaan aan de ongrondwettigheid van artikel 371, WIB 92, door de aanvangsdatum van de bezwaartermijn in die bepaling te vervangen door een eigen interpretatie van de aanvangsdatum van die termijn, omdat dit initiatief behoort aan de wetgever die de ongrondwettigheid van die bepaling op verschillende wijzen kan verhelpen' (Zie Brussel, 22.09.2015, 2012/AR/1716 (Fr), dat steunt op een arrest van 23.11.2012 (nr. F.11.0050.N, www.juridat.be). In dat arrest  bekrachtigde het Hof van Cassatie de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, beslist door de rechter die de aanvangsdatum van de bezwaartermijn niet wou bepalen: 'nu op verschillende wijzen kon worden verholpen aan de ongrondwettigheid in het decreet (van 22.12.1995) stelt het Grondwettelijk Hof vast dat de appelrechters hebben kunnen oordelen dat bij gebrek aan enig wetgevend initiatief naar aanleiding van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, zij geen andere aanvangsdatum in de plaats kunnen stellen, zodat het betwiste bezwaarschrift als tijdig moet worden beschouwd'.

Het Hof van Cassatie heeft evenwel haar standpunt genuanceerd in drie arresten van 04.09.2015 (F.14.035.F, F.14.0116.F en F.14.0128.F, dat laatste op www.juridat.be). Het Hof herinnert eraan dat 'hoewel de rechter gehouden is elke leemte in de wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld of elke leemte die het gevolg is van de ongrondwettigverklaring van een wetsbepaling, voor zover mogelijk te verhelpen, kan hij dat slechts doen binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen. Enkel een tussenkomst van de wetgever zou, door de keuze voor een aanvangsdatum van de bezwaartermijn die verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, toelaten de leemte die uit de ongrondwettigheid voortvloeit, te verhelpen'.

Het Hof van Cassatie bevestigt de beslissing van het hof van beroep, dat vaststelt dat de bezwaarindienende vennootschap 'het aanslagbiljet meer dan drie maanden in haar bezit heeft vóór de indiening van het bezwaarschrift' en leidt eruit af dat 'het is terecht dat het doel van rechtszekerheid beoogd door het Grondwettelijk Hof werd bereikt (werkelijke ontvangst van het aanslagbiljet)' (Zie Cass. 04.09.2015, F.14.0116.F). In die zaak heeft het hof van beroep te Bergen (arrest van 26.02.2014) artikel 53bis, Ger. W., dat nog niet was opgenomen in de wettelijke bepalingen, niet toegepast.

Dezelfde dag heeft het Hof van Cassatie een arrest van 17.04.2013 van het hof van beroep te Bergen bevestigd: 'uit de overweging dat de aanvangsdatum van de bezwaartermijn inzake een aanslag verbonden aan het aanslagjaar 2005, (bezwaar werd ingediend op 05.12.2005) -sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof- niet meer kan worden verward met de verzendingsdatum vermeld op het aanslagbiljet, een leemte in de wet afleidt en de voor het hof van beroep ermee verband houdende onmogelijkheid -bij gebrek aan enig wetgevend initiatief vóór 2010- om een andere datum als aanvangsdatum van het bezwaarschrift in de plaats te stellen, verantwoordt zijn beslissing naar recht dat het betwiste bezwaarschrift als tijdig moet worden aangezien' (Cass. 04.09.2015, F.14.0035.F).

Daarentegen heeft het Hof van Cassatie het arrest van 09.09.2013 van het hof van beroep te Luik verbroken dat vaststelt dat 'nu de betwiste aanslag de verzendingsdatum van 20.11.2001 draagt' en verbonden is aan het aanslagjaar 2000, 'het bezwaarschrift van (eiseres) op 26.06.2003 werd ingediend', en overweegt dat 'de termijn om een bezwaarschrift in te dienen loopt vanaf de datum waarop de brief met het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag per gewone post ter kennis van de bestemmeling werd gebracht, wordt vermoed ter kennis van die bestemmeling te zijn gebracht (…) en die kennisgeving van een gewone brief kan worden vermoed te hebben plaatsgevonden de dag dat de bestemmeling naar alle waarschijnlijkheid kennis heeft van kunnen nemen, of de derde werkdag die volgt op deze waarop de kennisgeving van de ambtshalve aanslag of het aanslagbiljet aan de postdiensten werden overhandigd, behoudens tegenbewijs door de bestemmeling, zodat de termijn van drie maanden van artikel 371 in een toepassing volgens het Grondwettelijk Hof begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op deze waarop de kennisgeving van de aanslag of het aanslagbiljet aan de postdiensten werden overhandigd, behoudens tegenbewijs door de bestemmeling'. Het Hof van Cassatie is derhalve van mening dat het hof van beroep artikel 371, WIB 92, heeft geschonden (Cass. 04.09.2015, F.14.0128.F, www.juridat.be).

Uit deze rechtspraak kunnen volgende besluiten getrokken worden:

a. slechts de theorie van de werkelijke ontvangst van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag is aanvaardbaar om de termijn van artikel 371, WIB 92, te doen lopen;

b. voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 371, WIB 92 (nieuw), maar nà de inwerkingtreding van artikel 53bis, Ger. W. (zijnde van 31.12.2005 tot 06.06.2010), kan de werkelijke ontvangstdatum op grond van artikel 53bis, Ger. W. worden vermoed: 'de rechter kan de leemte in de wetgeving verhelpen binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen';

c. voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 53bis, Ger. W. (zijnde vóór 31.12.2005) en opdat de belastingplichtige zich niet zou kunnen beroepen op het niet-aanvangen van de bezwaartermijn, moet de administratie met alle bewijsmiddelen waarover zij beschikt bewijzen dat de belastingplichtige werkelijk het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag heeft ontvangen, op zulke wijze dat de bezwaartermijn aanvangt vanaf de dag volgend op die van ontvangst van dat aanslagbiljet of van die kennisgeving. Wanneer dat bewijs niet kan worden geleverd, moet de administratie de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift erkennen, daar in dat geval de rechter niet gehouden is de leemte in de wetgeving te verhelpen.

B. AMBTSHALVE ONTHEFFING – ARTIKEL 376, WIB 92

De verzoeken tot ambtshalve ontheffing kunnen eveneens worden ingediend op een andere wijze dan op 'papier'. Er kan nuttig worden verwezen naar wat hiervoor onder de nrs. 9 tot 14 werd uiteengezet, met als gevolg dat de ontvangstdatum van de e-mail of fax door de bevoegde dienst bepalend is voor de berekening van de termijn van de verzoeken tot ambtshalve ontheffing die per e-mail of fax werden verzonden aan de taxatiedienst.

 


terug naar overzicht